Het was midden in de winter van 1590 en ijzig koud. Een dag, die maar niet licht wilde worden en de grauwe nevel zeefde het kleine beetje licht, zodat boven de weiden en de rivier een grijze brei scheen te hangen. Een dag, die snel sterft aan zijn eigen eenzaamheid.

De snel voortstappende man, aan zijn kleren herkenbaar als rondreizend minstreel, haastte zich naar het kasteel. Hij had vernomen, dat daar een feest aan de gang was en waar mensen feest vieren, is een minstreel welkom. Daar is warmte en eten, wijn en een aandachtig gehoor, als de bekers nog niet te overdadig zijn aangesproken en als beloning een beurs met geld. Misschien met goud, want het geslacht dat het kasteel van Ammersoyen bewoonde, was rijk en machtig.

Bij de buitenste gracht, die het kasteel omsloot, vlak bij de poort, trachtte een jongen weg te sluipen in de mist, alsof die hem wilde ontlopen. Toen hij de knaap aanriep, bleef hij staan. Half onwillig. Het was een page, die vergeefs zijn verdriet probeerde te verbergen voor de vreemdeling. Op de vraag, waarom hij niet vrolijk was, kwam eerst geen antwoord. Maar de minstreel had te veel met mensen omgegaan om niet achter de waarheid te kunnen komen. Hij vroeg naar de aard van het feest, zodat hij daaraan zijn liederen zou kunnen aanpassen en de page vertelde hem, dat de dochter des huizes in het klooster zou gaan. Ze nam die dag afscheid van de wereld en omdat alles vrije wil was en geen gedwongen keuze, werd het geen droevig afscheid. Ze zou de bruid van Christus worden en de heer van Ammersoyen, haar vader, had een aantal edelen uit de omgeving uitgenodigd en de abdis van het naburige klooster om de intrede van zijn dochter te vieren.

Er waren veel gasten op het slot en onder hen was een vreemdeling, die toevallig op doorreis was en naar zijn kleding te oordelen voornaam genoeg om dit feest enige luister bij te zetten. En om het afscheid van vrienden en bekenden gemakkelijker te maken, had de jonkvrouw van Ammersoyen hem als tafelbuur gekregen tijdens het feestmaal, dat inmiddels begonnen was. Dat alles vertelde de jongen aan de minstreel. "Maar dat is geen reden om zo treurig te zijn," zei deze. "Als ze zelf die keuze heeft gemaakt. Of..." en hij keek de jongen doordringend aan... "Of is deze keuze jouw keuze niet en heb je, zo jong als je bent, je hart verloren aan de jonkvrouw? Misgun jij Christus zijn bruid?"

Er vloog een heftig rood over het gezicht van de page. "Dat is het niet," zei hij snel. "Ik heb nooit zo aan de jonkvrouw gedacht. Als ik mij tot haar aangetrokken voel, dan is dat, omdat ze een goede meesteres voor mij is geweest, die mij altijd goed heeft behandeld."

"Maar wat dan? Er moet toch een reden zijn voor jouw droefheid."

"Ik ben bang," zei de jongen, die langzamerhand vertrouwen kreeg in de minstreel. "Ik ben bang. Sinds vanmorgen al heb ik een bang voorgevoel. Er waren geluiden in de lucht, die ik niet thuis kan brengen. Er zweven gestalten in de nevel, ongrijpbare gestalten, die geen goede bedoelingen hebben. Ze moeten te maken hebben met de Boze. Ik voel het. Ik speur ze overal rond het slot. En ik zou de jonkvrouw en mijn meester willen waarschuwen, maar dan moet ik iets tastbaars aan kunnen wijzen. En het is allemaal zo vaag, zo vaag als de nevel en toch even ondoordringbaar. En die vreemdeling, die op het slot kwam. Juist vanmorgen. Hij is zwijgzaam en somber en net zo ze zijn knechten. Ik wilde, dat mijn meester ze weg had gestuurd. Maar hij heeft ze uitgenodigd om het feest mee te maken. De dienaren in de keuken en hun heer aan de zijde van mijn jonkvrouw. En nu ben ik bang, dat er vandaag iets gebeurt."

Hij huiverde en ook de minstreel voelde zich onbehaaglijk. Zou hij verder gaan - in de buurt stond ook een klooster waar hij onderdak kon krijgen - of zou hij proberen het feest op te luisteren met zijn liederen. Maar het verhaal van de jongen had hem ook huiverig gemaakt en hij besloot tot het eerste en liet het kasteel links liggen.

Ondertussen was het feest op het kasteel in volle gang. De dienaren liepen af en aan met spijzen en drank en omdat de gastheer gul was, steeg de stemming. Alleen de abdis zat ingetogen naast de heer van Ammersoyen en ook de jonkvrouw. De wijn had een blos op haar wangen gekleurd en het blonde haar legde een krans om haar hoofd, dat nu nog ongedekt was. Morgen zou een donkere kap al dat schoons verbergen. Ze liet het feest over zich heen gaan. Het was de wens van haar vader geweest. Ze had er vrede mee, meer ook niet. Haar hart en haar gedachten waren al niet meer bij deze wereld van lachen en feesten. Ze vertoefde al in het stille klooster om zich te wijden aan vrome gedachten en goede werken.

De hoge gast aan haar zijde zat er somber bij. Geen lachje plooide zijn stroeve mond en als een van de andere edelen hem toedronk, antwoordde hij alleen met een hoofs gebaar. Toen het feest al luider en luider werd en de muziek het gepraat en gelach bijna nog overstemde, wendde hij zich tot de jonkvrouw. Hij sprak zachtjes.

"Ik herinner mij een plek aan de Maas, niet ver van hier. Daar waar een grenssteen staat. Daar heb ik vaak gezeten en in gedachten zie ik daar nog twee jeugdige kinderen zitten. Een meisje met blonde lokken en een jongen met ravenzwart haar." De jonkvrouw luisterde. Er trok een lichte huivering over haar schouders, maar ze schudde de ontroering van zich af. "Hij was een vondeling," ging de ridder fluisterend voort, "en zij de dochter van een machtig edelman hier uit de buurt. Er was een groot verschil in stand, maar toch zwoer ze hem daar bij die steen aan de Maas voor eeuwig trouw."

"Dat is dertien jaar geleden," zei de jonkvrouw met gesmoorde stem. "Het waren twee kinderen en hij is van hier weggegaan en niemand weet waar hij gebleven is en ik... Ik heb de wereld vaarwel gezegd."

"Maar ik ben terug gekomen, Ada," zei zijn stem en hij boog zich tot haar over. "Ik ben gekomen om je aan je woord te houden, dat je mij dertien jaar geleden gaf. Ik ben nu graaf Affaytadi. Geëerd en rijk en jouw vader zal mij nu niet meer afwijzen."

"Maar het is te laat. Ik heb mijn woord gegeven. Morgen ga ik in het klooster."

"Je gaf mij eerst je woord. Je hebt het mij gezworen en die eed gold het eerst. Je zult nu moeten bewijzen, wat je aan een vondeling beloofd hebt. Ada, ik hou je nu aan je woord." Bij die woorden boog hij zich nog verder naar haar over, zodat zijn gezicht dicht bij het hare was. "Ik hou je aan je woord," siste hij haar toe.

Met een gil week ze terug. Een gil, die hoog uitklonk boven het feestgedruis, dat plotseling verstomde. Toen viel ze achterover in haar stoel, bewusteloos. Niemand wist wat er gebeurd was. Niemand die op hen beiden had gelet en de graaf was vlug opgestaan en zag alles vanuit een afstand. Er was geen mens meer die op de vreemde gast lette. Alle aandacht was gericht op Ada, die het afscheid van deze wereld kennelijk toch te zeer had aangegrepen. Men probeerde haar vergeefs tot bewustzijn te brengen, maar voorlopig bleef dat pogen tevergeefs. De vreemdeling had zich nog verder teruggetrokken, tot in een van de nissen in de dikke muur.

Zijn gestalte scheen te vervagen, of was het het vage licht van de dag, dat nog binnenviel. Niemand die het ooit zal weten.

Op hetzelfde moment liep de page nog rond buiten de poorten van het kasteel. Het was of hij niet weer naar binnen durfde gaan. Er was iets dat hem tegenhield. Het was langzaam duister geworden en het helle licht uit het kasteel tekende vierkante vlekken in de donkere muren. Maar opeens schrok de jongen op uit zijn droeve gepeins. Het was of er strijdrumoer in de lucht was. Of er een legermacht optrok tegen het kasteel, plotseling uit het niets. Er was geluid van wapengekletter en toen de jongen verschrikt bleef staan aan de overzijde van de gracht, schoot er opeens een rode vuurstraal uit een der ramen van het kasteel. En uit de toren. En uit het poortgebouw en uit de andere ramen. Het kasteel brandde opeens aan alle kanten. De vlammen sloegen hoog uit het trotse gebouw.

De jongen rende naar het dorp om daar alarm te slaan. Maar toen de brandklok de bevolking bijeen had geklept, was het kasteel al niet meer te redden. En wonderlijk genoeg brandde tegelijkertijd het klooster. En de vreemde minstreel, die daarheen op weg was, zag daar de vlammen hoog opschieten uit het gebouw. Alles brandde en binnen korte tijd waren klooster en kasteel tot ruïnes geworden. Van het vrolijke gezelschap had niemand zich kunnen redden en de verslagen bevolking kon niets anders doen, dan de volgende morgen de smeulende balken opzij slepen en zoeken naar de lijken van hen die onder de stenen bedolven waren. Ze vonden ze bijna alle. Alleen twee bleven er onvindbaar, hoe ook gezocht werd. Hun lijken vond men niet. Men vond niet de lichamen van jonkvrouw Ada en van de vreemde graaf. Dat raadsel is nooit opgelost, welke gissingen men ook maakte.

De minstreel en de page konden elkaar alleen maar in een stomme huivering aankijken. "De Boze," fluisterde de page. Maar op het waarom wist hij ook geen antwoord.